Kleuteronderonsjes

De jongste dochter had twee vriendinnen op bezoek. BFF’s, zoals dat tegenwoordig heet, een term die vierjarigen overigens al graag in de mond nemen. De onderonsjes zijn als buitenstaander vaak hilarisch, maar zij zijn doodernstig. De onderwerpen veranderen bovendien om de haverklap en zonder enige aanleiding. Niemand die exact weet waarover de ander het heeft, maar dat het gezellig is, staat buiten kijf.

Zo’n theekransje onder kleutervriendinnen is voor mij een bijzondere aangelegenheid en het werpt een zeldzame blik op hoe het eraan toe moet gaan in een kleuterklas onder leeftijdsgenoten. Dus ik legde graag mijn oor te luisteren (en ik moest daar niet eens veel moeite voor doen, zo spontaan zijn ze op die leeftijd nog wel). Een unieke, ietwat opmerkelijke analyse:

Ze delen de leukste wist-je-datjes met elkaar. Of er een grond van waarheid in zit of net helemaal niet, maakt niet zoveel uit. Als het maar indruk maakt. Liefst elkaar overtreffend in bluf, decibels of schunnigheid. Dat laatste doet het altíjd goed, dus wil er eentje het laatste woord, wordt er voor die optie gegaan.

Zo werd een chocolade-ijsje voor een vol terras luid een “bakje met kaka” genoemd, bijna zo overtuigend geïnsinueerd, dat de vriendin die het desbetreffende ijsje koos vertwijfeld naar haar koude traktatie keek. Na enkele voorzichtige hapjes, smolt het wantrouwen als sneeuw voor de zon en genoot ze alsnog van de lekkernij, haar kwetterende vriendinnen vakkundig negerend alsof ze een geluidsdichte, onzichtbare hoofdtelefoon droeg. De andere bezoekers op het terras keken geboeid (of geïrriteerd, wie zal het zeggen?) toe. Ze vonden ons vast moedig, zo met een improviserend straattheater op pad, of ze braken hun hoofd over een mogelijke drielingkwestie, dat kan ook.

Anekdotes doen het ook altijd goed tijdens de kleuterkoffieklets. De minste voorzet is voldoende om een hele gebeurtenis op te rakelen. De zinnen vormen echter een weinig samenhangend geheel, maar zij zijn overtuigd van een heel logisch opgebouwd tijdsverloop. Gek genoeg lachen de vriendinnen op het juiste moment en tonen ze interesse door bijkomende vragen te stellen wanneer het ertoe doet.

Zo ging het over de kat van vriendin A. “Katten zijn wakker ’s nachts”, vertelde de ene. Vriendin B opperde dat uilen óok wakker zijn ’s nachts. Dat werd unaniem beaamd. De kat (waarvan ik de naam na drie keer vragen nog steeds niet begrepen had) bleek een nachtbraker, want hij liep eens voor de sensor van het alarm en zorgde er zo voor dat de hele familie wakker gemaakt werd. “In de nacht, hé! Toen het DONKER was!” Die gebeurtenis bleek indruk gemaakt te hebben op vriendin A en vriendinnen B en C vonden het een stoer verhaal. Vertelsels waarin “nacht” en “donker” de hoofdonderwerpen zijn, scoren snel hoog op de schaal van spanning bij vierjarigen. Zoveel is duidelijk. Na een korte, overpeinzende stilte, besloot de hele kliek dat de kat een sloeber was en de papa die het alarm moest gaan afzetten, een ware held.

Onverwerkte trauma’s komen ook al eens naar boven. Ze worden vaak met enige grandeur besproken om het empathisch vermogen van de gesprekspartners op te wekken. Bij het opzetten van de fietshelm kon vriendin A zich nog levendig herinneren dat haar papa de huid onder haar kin eens tussen de gesp geklikt had. Iets waarvan de dochter kon meespreken en nog vers in het geheugen zat, aan de pijnlijke grimas op haar gezicht te zien. Ze suste snel de vriendin vol dramatisch medeleven enerzijds en vastbeslotenheid anderzijds: “Bij mijn papa gebeurt dat noóit, want hij zet zijn vinger ertussen, dus je hoeft niet bang te zijn.” Voor vader lag de prestatiedruk hoog, dat begrijp je wel. Hij kon het kind zowaar een stapje dichter bij de verwerking van het “trauma” brengen, mits hij deze taak tot een goed einde bracht. Missie volbracht.

Ze houden van complimenten krijgen en geven. Ze groeien letterlijk enkele millimeters van trots bij het horen van een compliment, al proberen ze pokerfacegewijs te verbergen dat hen dat wat doet, want stoerdoenerij is ook onder meiden een dingetje. Toch lijken ze te beseffen dat leuke opmerkingen krijgen hen een goed gevoel geeft, dus proberen ze de ander hier en daar ook van een pluim te voorzien. Maar nog vaker zijn ze recht voor de raap en komen ze zonder verpinken uit voor hun eigen mening, kwetsend of niet. Maar hoewel de rake opmerking in onze ogen soms weinig subtiel lijkt, hoort het soms gewoon bij de ongezouten, brute kleutertaal en kijkt de ontvanger er nog niet eens van op. Echt ruzie komt er zelden van.

Vriendin C vond het ongehoord dat vriendin B haar ijsje niet opat. “Dan blijf je maar een kleine baby”, klonk het vastberaden, hetgeen allerminst indruk maakte op vriendin B. Ze zijn bovendien gedurende het hele speelpartijtje wel twintig keer “elkaars beste vriendin niet meer” geweest, en minstens evenveel keer weer wel. En met zeemzoete stem becomplimenteerden ze elkaars jurken en moeders portemonnee (met blinkende pailletten, dat behoeft geen verdere verklaring), waarop de vriendinnen blonken van trots en ik me afvroeg of het niet tijd werd voor een nieuwe portefeuille.

Ze bekritiseren onomwonden vaders muziekkeuze. Toen hij het gezellig trachtte te maken door een willekeurige afspeellijst op Spotify op te zetten, vroeg vriendin A haast medelevend aan de dochter of “haar papa geen kinderliedjes had.” Ze zat er duidelijk mee in dat de dochter zou moeten opgroeien zonder K3 en andere kinderdiscohits, hetgeen een waar gat in haar cultuur zou betekenen. De doordeweekse pophits konden op veel minder enthousiasme rekenen, waarna de vriendinnen dan maar zelfverzonnen versjes proclameerden.

Ze wuiven vanuit de bakfiets naar iedereen die en alles dat voorbijkomt. Vaak terwijl ze beschrijven wat ze zien, inclusief weinig verbloemende bijvoeglijke naamwoorden en zeker niet discreet. Dat ging van “Daaag, huis! Daaag, dikke poes! Daaag, auto!” tot “Daaag, oude mensen!”. Dat laatste floepte eruit toen we een bejaard koppel voorbijreden, dat voor hun gevel in plastieken tuinstoelen van de zon genoot. Het koppel wuifde geamuseerd terug (drie giechelende dames in een bakfiets heeft heel wat bekijks, dat kan ik je verzekeren), hetgeen deed vermoeden dat ze vrij slechthorend waren.

Ze houden van joelen en lachen. Vriendin C heeft een enorm aanstekelijke lach, waardoor ik me soms afvroeg of de anderen niet gewoon mee schaterden door het gelach en niet zozeer door de gebeurtenis of door het vertelde mopje op zich. Ikzelf kon mijn lach ook niet onderdrukken als vriendin C vanuit de buik een gemeend lachsalvo afstak. Een bakfiets die over een hobbel of put reed of onverwacht bochten nam, was een uitstekend gegeven om het gegier te doen losbarsten (vermoedelijk de verklaring voor het bekijks). Ze amuseerden zich alsof ze in de wildste attractie van de Efteling zaten en proestten en gilden het uit.

Échte bakvissen zijn ze nog net niet, maar hun gedrag kan er soms wel al aan tippen. Het is mooi om te zien hoe ze alle drie hun eigenheid behouden en elkaar toch vinden. Ze zien er geen kwaad in om uit te komen voor hun ongekleurde mening en hun eigen behoeftes, al zie je dat ze proberen om ietwat rekening te houden met de ander. Ze hebben dezelfde fantasiespelletjes en zijn perfect op elkaar ingespeeld. Ze kennen ieders mindere kantjes en vinden dat prima. Ze weten wanneer het tijd is om elkaar op te zoeken maar ook wanneer ze opnieuw afstand moeten nemen als de ander even geen zin heeft om mee te doen. Ze blijven dicht bij elkaar, ook al spelen ze schijnbaar apart. Ze respecteren elkaar, zelfs al zijn ze zo jong en zijn hun bewoordingen soms brut. Ze koesteren een mooie band waar ze hopelijk nog lang van kunnen genieten. Minstens tot ze echte bakvissen zijn.

 

Deze tekst verscheen eerder op Herinneringenvoorlater.