Moni versus mama: wanneer je dochter voor het eerst op kamp vertrekt

De bus vertrekt en neemt mijn zevenjarige mee. Haar gezichtje ziet er bleek uit achter dat mondmasker, maar ze zwaait enthousiast. In het gangpad achter haar staat een monitrice enthousiast mee te zwaaien. Naar niemand in het bijzonder waarschijnlijk, maar naar alle ouders tegelijk.

En terwijl mijn hand nog in de lucht hangt, ben ik plots weer zeventien en ga ik voor de eerste keer als moni mee op kamp. Alle gastjes zitten op de bus en ik sta in het gangpad mee te wuiven. Gewuif werkt aanstekelijk, ook al ken je niemand op de parking die je achterlaat. Van zodra de bus de weg opdraait, zijn die zwaaiende ouders vergeten. Ik besef pas weer dat de kinderen ook ouders hebben als we tien dagen later diezelfde parking opdraaien. Mama’s en papa’s laten een traantje van blijdschap, ik eentje van verdriet. Dat zwarte gat na tien dagen kamp heeft in elf jaar geen enkele vakantie overgeslagen.

Terug in 2020, besef ik - nog wat halfslachtig wuivend – dat ik meer dan honderd kamp- en cursusdagen deed en dat ik in al die tijd amper aan de ouders van mijn gastjes heb gedacht. Bij tieners en cursisten zal dat nul komma nul minuten geweest zijn, bij de jongeren met een mentale beperking zat ik toch aan een kwartiertje per kamp, wanneer we de kaartjes naar huis schreven. Ik herinner mij een groot respect, maar nooit heb ik stilgestaan bij het gemis en de onzekerheid die zij voelden terwijl ik met hun kinderen aan het spelen was.

Met een schokje realiseer ik me dat moni’s en mama’s maar één ding gemeen hebben: de hoop dat het kind oprecht plezier beleeft aan het kamp. Godzijdank hebben die moni’s er geen idéé van hoe groot de verantwoordelijkheid is die op hun schouders rust. Ze zijn op kamp met het kostbaarste bezit van anderen, maar daarbij stilstaan zou enkel tot verlammende angst leiden. En een goede moni is immers niet bang, maar wel bezorgd.

Terwijl ik naar mijn auto wandel, vraag ik me af of mijn dochter überhaupt wel vitaminen zal binnenkrijgen deze week. Ik ben bang dat de moni’s niet genoeg zullen benadrukken dat ze zich vaak moet insmeren en veel water moet drinken. Ik twijfel of ze toch niet nog te jong is om vijf dagen met wildvreemden mee te gaan. Zullen ze moni’s het wel merken als ze heimwee heeft? Zullen ze in de gaten houden of ze genoeg eet? Zal dat kleine meisje niet ziek worden van te weinig slaap?

Ik verplicht mezelf om het meedogenloze moedergemekker in mijn hoofd een halt toe te roepen. Ik moet vertrouwen hebben in de jonge moni’s van nu, zoals de ouders lang geleden vertrouwen hadden in mij. Elf jaar lang heb ik kinderen meegenomen op wonderbaarlijke avonturen en telkens heb ik ze ook weer veilig thuisgebracht. Deze jonge mensen offeren vrijwillig een week van hun vakantie op, dus aan goesting ontbreekt het hen niet. Ze hebben een cursus gevolgd om moni te mogen zijn en zitten vol nieuwe spelideeën en jeugdige naïviteit.

Vijf dagen later verbijt ik mijn tranen als de dochter blakend van gezondheid en uitgeput van geestdrift de bus uitspringt. Ze babbelt honderduit tijdens de terugrit en ik prijs me gelukkig dat ze nog geen tiener is die zit te sms’en naar de mensen waar ze tien minuten geleden afscheid van heeft genomen. In geuren en kleuren krijg ik een antwoord op de vragen die ik me vijf dagen heb gesteld en ik besef: maar goed dat moni’s geen mama’s zijn.