Vroege signalen van autismespectrumstoornis: Hoe weet ik of mijn kleuter autisme heeft?

  • door Mamabaas

Autisme is een neurobiologische ontwikkelingsstoornis en wordt gekenmerkt door problemen op vlak van communicatie en sociale interactie en met betrekking tot flexibel denken en handelen. We spreken van autismespectrumstoornis (ASS) omdat deze problemen op verschillende manieren tot uiting komen en kunnen verschillen in intensiteit of ernst. Het ene kind met ASS kan dus erg verschillen van het andere. Daarnaast kunnen de kenmerken van ASS in de loop van de ontwikkeling van een kind ook veranderen. 

Mits goed multidisciplinair onderzoek, is een diagnose ASS al betrouwbaar vast te stellen vanaf de leeftijd van ongeveer 2 jaar. In de praktijk wordt de diagnose meestal op kleuterleeftijd gesteld, maar er zijn ook heel wat mensen die pas op latere leeftijd een diagnose krijgen.

Een diagnose op jonge leeftijd kan belangrijk zijn voor vroegtijdige ondersteuning van kinderen. Bepaalde vormen van hulpverlening zijn immers enkel toegankelijk voor personen met een diagnose. Het kan ouders ook helpen hun kind beter te begrijpen en de juiste informatie te vinden die hen kan ondersteunen in de opvoeding van hun kind en het communiceren naar de omgeving. Soms neemt het zelfs twijfels en mogelijke schuldgevoelens bij ouders weg.

Hoewel een vroege diagnose belangrijk kan zijn, is dit meestal een lang proces. De stap naar hulpverlening is soms moeilijk, er zijn lange wachtlijsten en vroege signalen van autisme worden niet steeds herkend. Een vermoeden begint vaak met een bezorgdheid van ouders of opvoeders in de ontwikkeling van een kind. Toch zijn er een aantal signalen die reeds vroeg aanwezig kunnen zijn. Het is echter niet zo dat je meteen aan autisme moet denken wanneer je kind één van deze signalen vertoont!

Vroege signalen

  1. Een van deze vroege signalen is het maken van oogcontact. Wanneer je geen of enkel vluchtig oogcontact kan maken met je kind, kan dit een kenmerk van ASS zijn. Het oogcontact kan ook net star of indringend aanvoelen. Baby’s en peuters die moeilijk oogcontact maken, beleven vaak ook geen plezier in sociale spelletjes, zoals ‘kiekeboe’. Beperkt oogcontact uit zich ook in moeilijk heen en weer lachen, geluidjes maken, of gelaatsuitdrukkingen imiteren.
  2. Moeite met imitatie is meteen een tweede vroeg signaal van ASS. Het nadoen van gelaatsuitdrukkingen begint al in de eerste weken na de geboorte. Later komt ook het imiteren van bewegingen en andere handelingen (met of zonder voorwerpen). Imiteren is erg belangrijk in de sociaal-communicatieve ontwikkeling van kinderen. Rond de leeftijd van 12 maanden doen de meeste kinderen dit spontaan, terwijl kinderen met ASS het hier vaak moeilijk mee hebben. 
  3. Een derde belangrijk signaal is het niet of beperkt reageren op spraak of geluid. Ouders geven soms aan dat hun kind doof lijkt te zijn en niet reageert op harde geluiden. Anderzijds kunnen kinderen met autisme ook net overgevoelig lijken voor bepaalde geluiden vb. een mixer, een stofzuiger, muziek ... Ook het niet reageren op de eigen naam komt vaak voor. Jonge kindjes met ASS lijken soms niet te reageren op taal of aansprekingen, maar enkel op andere geluiden.
  4. Ten vierde blijkt uit onderzoek ook dat kinderen met ASS minder gaan wijzen of minder vaak dingen komen tonen. Ze delen met andere woorden hun interesse in de wereld rondom hen minder met anderen.
  5. Tot slot zijn er een aantal algemenere kenmerken die kunnen opvallen bij kinderen met ASS. Zo komen ze vaak moeilijker tot spel dan hun leeftijdsgenootjes. Het spel beperkt zich bijvoorbeeld tot het uithalen en opbergen van speelgoed of keer op keer hetzelfde spelen. Sommige kinderen vertonen ook een zeer specifieke manier van spelen, bijvoorbeeld speelgoed op een rijtje plaatsen of gaan sorteren, maar dit is zeker niet altijd het geval. Kleuters met ASS vertonen vaak ook minder interesse in leeftijdsgenootjes of benaderen mensen eerder als een voorwerp dan als een persoon. Ook taal-, voedings- en motorische problemen komen vaker voor bij kinderen met ASS. Soms komen ook specifieke motorische bewegingen voor zoals fladderen of teenlopen.

Uiteraard is autismespectrumstoornis niet vast te stellen op basis van een korte checklist van kenmerken. Uitgebreid diagnostisch onderzoek is belangrijk en bestaat uit meerdere afspraken waarin ouders uitgebreid bevraagd worden over het functioneren van hun kind. Er is wordt meestal ook een observatie (thuis, op school, in het kinderdagverblijf of in een testruimte) gepland en leerkrachten of andere verzorgers worden bevraagd. Ook een medisch onderzoek is vaak deel van het diagnostisch proces. Daarnaast vindt er ook nog een ontwikkelings- of intelligentieonderzoek plaats en worden de taal en motoriek geëvalueerd.

Wanneer je als ouder zorgen hebt omtrent je kind, kan je best contact opnemen met een gespecialiseerde dienst, zoals een referentiecentrum voor autisme (RCA), een centrum voor ontwikkelingsstoornissen (COS), een revalidatiecentrum of een ander multidisciplinair team.

 

PIP UGent / Hersenverkenners